Aderlater
Pagina 1 van 2
Vroeger was de chirurgijn, die ook het barbiersvak beoefende, een man van grote betekenis. Men noemde hem kort en goed "den meester", in onderscheiding van de vele die de meestertitel voerden.Huijgens doelt hierop in zijn sneldicht op de chirurgijn: Een smidt heet meester Wilm een snijder meester Cent een beul meester Dirck een raedsheer meester Steven. Elck moest bij naem en const op 't meesterschap toegeven Maer of ghij, geheel vrij, den Meester soght, ick ben 't.
Meestal werd de woning van de chirurgijn aangeduid door een uithangbord, waarop de Barmhartige Samaritaan stond afgebeeld. De Amsterdamse chirurgijn Hendrick van Roonhuijse, die in het midden van de 17e eeuw een Europese vermaardheid genoot, had het volgende onderschrift op zijn uithangbord aangebracht: Dit is in den Barmhertigen Samaritaen Die olij en wijn in de wonden heeft gedaen.
Een collega van de helper der mensheid, die op de Kolk het chirurgijnbedrijf uitoefende, had voor zijn luifel het volgende laten aanbrengen: Deze chirurgijn vermindert de pijn Door Gods genade.
Naar verluidt zou een of andere olijke Amsterdammer, die wellicht zelf onder het mes was geweest of van anderen van 's mans praktijken een en ander vernomen, op een nacht het oude opschrift door het volgende hebben vervangen: Deze Sarazijn vermeerdert de pijn Zonder genade.
De hierboven genoemde Hendrick van Roonhuijse leert ons, dat de exercitie van het chirurgijnambt bestaat in drie poincten: De functie van de chirurgie, van haijrsnijder en de bartscheeren.
Het schijnt, dat niet alle personen, die zich voor chirurgijn uitgaven, meesters in hun vak zijn geweest. Er kwamen zowel in de stad als op het platteland tal van klachten in bij de overheid
omtrent beunhazen, kwakzalvers en bedriegers.
Een en ander was aanleiding, dat door de Arnhemse magistraat in 1620 bij verordening werd vastgesteld, dat geen vreemdelingen, quaksalvers off wat kunst sij mochten voorwenden met haar salven, olijen, pulveren off diergelijcke sullen mogen voorstaan off dieselve moogen verkoopen dan met consent van de burgemeesteren.
Voorts werd bepaald, dat niemand het handwerk der chirurgie sal toegelaten zijn te oeffenen off opene vensters te houden, te verbinden, aderen te laaten, tand te trekken, te scheeren, nog iets anders dat tot den ampte gehoord te doen zonder consent.
In Amsterdam en andere grote steden werden chirurgijnschilden gesticht, welke gilden onder toezicht van de stedelijke regeringen belast werden met de controle op de chirurgijns. Bepaald werd, dat om tot het gilde te worden toegelaten men proeven van bekwaamheid moest afleggen.
Langzamerhand kwamen de barbiers los te staan van de chirurgijns, die later dokter werden genoemd. De barbiers hadden in de Nieuwe Kerk te Amsterdam een eigen altaar, waar boven Sint Damianus en Sint Cosmas, de beschermheiligen van de kapper, troonden.
Dit gebeurde reeds in 1552 toen een nieuwe keur werd uitgevaardigd, waarbij verschil gemaakt werd tussen de chirurgijns en de barbiers, waarmee Amsterdam haar tijd ver vooruit was. De barbiers hadden alleen de bevoegdheid tot aderlaten, knippen en scheren.
Op 19 juni 1553 vaardigde het stadsbestuur van Den Bosch een keur uit, waarin met de vrij hoge. boete van drie ponden gedreigd werd tegen mogelijke overtreders van het verbod, vervat in artikel 16: niemant van denselve ambagte off gilde op sondagen off aposteldaagen off op andere groote hylige daagen en sal moogen yemanden barbyeren off scheeren of hair corten off iets dienaengaende doen tenwaer in groote merkelyke nootsaeken.
Meende een barbier, dat er onder bepaalde omstandigheden een uitzondering gemaakt kon worden, dan diende hij vooraf de dekens van het gilde daarvan in kennis te stellen. Deed hij dat niet, dan stond hij meteen onder verdenking, als een deken, of een keurmeester, een gladgeschoren persoon bij hem naar buiten zag komen, ook als sy dien meester off synen dienaar selve niet en hebbe sien scheeren off kortten.
De besturen van de chirurgijnsgilde (eind 17e eeuw) hebben zich steeds beijverd om de kwakzalverij tegen te gaan. De leden der gilden werden onderscheiden in twee groepen, ten eerste de gestudeerden en gepromoveerden, ten tweede die geen examens hadden afgelegd. De laatste hadden alleen maar entreegeld voor het gilde te betalen. Zij mochten wel wonden behandelen, maar niet aderlaten, kiezen trekken en scheren.


