Vakgenoten
Dr. Faustus
Avonturen van Doktor Faustus in Leeuwarden
Van alle beroepen, die er op de wereld bestaan, valt dat van barbier het minste mee. Want om barbier te zijn, moet men niet alleen goed kunnen inzeepen, en goed 't mes op wang en keel van den klant kunnen zetten, doch bovenal moet men uitstekend menschenkenner zijn.
Een barbier in Leeuwarden was beroemd om zijn inzeepen, en het eigenlijke scheren verstond hij op een haar, doch een goed menschenkenner was hij niet, hetgeen uit het volgend verhaal moge blijken.
Op een kwaden dag stapte er een deftig heer bij hem binnen, die hem kort beval:
"Scheren!"
De barbier begreep onmiddellijk, dat hij zijn kunst moest toonen. Hij zeepte stevig in -- de meeste coiffeurs van tegenwoordig weten niet, wat een kunst 't inzeepen al is -- , en toen 't schuim hoog vlokte op het gelaat van den klant, zette de scheerder er 't mes op. Hij schrapte aan de kin en werkelijk, 't haar ging er af. Daarom begon hij aan den anderen kant, maar toen bemerkte hij tot zijn misnoegen, dat aan de zijde, waar hij had geschoren, de baard weder aanving te groeien
Dat mocht niet gebeuren.... Hij stapte fluks naar de plek des gevaars, en hij schrapte en schraapte naar den aard, maar juist, terwijl hij zich hier vooroverboog, om te zien, of 't vel wel blank was, schoot ginds met geweld het haar weder uit; de barbier gevoelde zich als een amateur-tuinman, die het kweekgras van zijn grond wil uitroeien en die na een middag moeitevol werk nog net zoo ver is als voor dien.
"Ja mijnheer -- "zei hij benepen, "'t gaat moeielijk."
"Wat gaat moeielijk? 't Scheren?! O, dan zal ik mezelf wel helpen."
Tegelijkertijd nam de klant het mes, en sneed zich het hoofd af, dat hij met vaste hand vlak voor zich neer zette. Daarna zeepte hij -- de barbier was er verwonderd over, en dat zijn de barbiers anders niet licht, want ze zien en hooren meer dan een ontdekkingsreiziger -- de wangen in, en in een ommezientje bleef er geen schaduw van dons op 't vel. Toen hij gereed was, zette hij 't hoofd op den romp, en zei, dat hij nu zijn schuld wilde voldoen.
Voor de baas een woord had kunnen uiten, drukte hem de deftige heer
een gouden dukaat in zijn hand, en riep uit:
"Dat zal wel genoeg zijn, denk ik."
Nu overkomt het een Leeuwardensch barbier niet elken dag (al scheert hij niet slechter dan een collega in Amsterdam of 's Gravenhage), dat hij met een gouden dukaat wordt betaald. Hij wilde zijn vrouw in zijn geluk doen deelen. Hij was al bij haar, voor hij 't wist: wat bewijst, dat hij net en soliede was in zijn levenswandel.
"Vrouw! Kijk eens, wat ik gekregen heb."
Ze tuurde naar de palm zijner rechterhand en haalde minachtend haar
schouders op.
"Een duit! Wat is daar voor bijzonders aan?"
Ja, het was een duit en geen dukaat, waarmede de rekening was gequiteerd, en daarvoor kon hij 't niet doen. Zeker een vergissing van den voornamen heer. Waar zou deze logeeren? Natuurlijk in het Hooghuis. Hij er naar toe!
"Wat is dat?" riep Faust, want niemand anders was het, "wat is dat? Zeker een vergissing .... Wacht! hier heb je een nieuwen dukaat. Zie je goed, dat 't een dukaat is?"
"Ja," zei de scheerder.
Thuis keek hij er nog even naar, voor hij zijn vrouw de munt toonde. Gelukkig, want ook nu hield hij in zijn hand een koperen duit. Hij riep woedend:
"Zoo waar ik een barbier ben, gaat 't hier niet zuiver toe."
Doktor Faustus bleef dus in de stad, en iedereen hoorde, wat hij met den dukaat had uitgetooverd. Eens kwam hij 's avonds in het Hooghuis, en hij riep zijn knecht.
"Trek me de laarzen uit."
De knecht knielde en trok de laars van doktor Faustus' linkervoet. Daarna begon hij met de rechter -- Dat ging niet zoo gemakkelijk.
"Och jongen -- je kunt niet trekken."
De knecht had zijn ponteneur en hij rukte nu met alle macht, zo hard, dat hij het been uit doktor Faust's lichaam trok. Dit vond doktor Faust niet aangenaam, hij schreeuwde, dat 't een aard had. De waard kwam toegeloopen.
"Wacht," peinsde deze (de Leeuwardensche hoteliers zijn niet van gisteren), "dat is een mooie manier, om het sinjeur eens te laten betalen. Weet je, wat ik doe? Ik berg 't been in de kast, en als hij weg gaat, heb ik een waarborg."
Zoo gezegd, zoo gedaan.
Hij had echter een ander voor zich, dan hij meende. Wij, u en ik, zouden alles doen, om ons been terug te ontvangen, maar doktor Faustus verliet het logement hinkende, en gaf geen duit. Toch scheen hem dit na eenigen tijd te berouwen, althans hij keerde terug, om zijn rekening te vereffenen. Doch de waard was dom geweest: hij had 't been in 't water gegooid ....
"Dan is de zaak in orde," zei doktor Faust. "Jij 't been en ik 't geld."
"Ja," antwoordde de herbergier. "Ja, dan is 't in orde."
Zoodra de geleerde man op straat liep, groeide hem 't rechterbeen weer aan, en hij wandelde nu net als de gewone menschen.
Nog meer wandaden haalde doktor Faustus uit. Hij stelde voor, om op de Langepijp te gaan staan, met stroo onder zijn arm. Er waren in dien tijd veel heksen in Friesland: overal kon je die leelijke tsjoensters aantreffen.
"Jullie hebt moeite, om ze te kennen?" vroeg doktor Faustus. "Als ik op de Langepijp sta, zal iedere heks naar mijn stroo worden getrokken en ze zal er mij een halmpje van uitritsen,. Daaraan kunt ge zien, wie tooveren kan en wie niet."
Natuurlijk stond men het hem nooit toe, want de vrouw van den
burgemeester was een heks, en dat dus het bestuur der stad den
vreemdeling liever buiten dan binnen Leeuwarden zag, is wel te begrijpen. Eens heeft hij 't heele Waagsplein met bloed overstroomd (zooals een fatsoenlijk mensch zijn tuin in een heeten zomer met water begiet), en daarmede had hij zijn banvonnis verdiend.
Faust moest Leeuwarden verlaten.
Aan alle vier de stadspoorten zette men een bode, die had toe te zien, of Faust de stad uitging. De burgemeester ging in 't raadhuis zitten,en wachtte. A1 heel gauw kwam een bode aanrennen, die hijgde:
"Doktor Faust is door mijn poort vertrokken." Nauwelijks had hij dit gezegd, of een tweede bode stormde binnen met de mare:
"Dokter Faust is door mijn poort vertrokken," en hij werd verdrongen door een derden bode, die jubelde:
"Dokter Faust is door mijn poort vertrokken. Daar kwam de vierde bode
aanzetten, die al uit de verte riep:
"Doktor Faust is door mijn poort vertrokken."
Tot op den huidigen dag is dit een raadsel gebleven, doch gelukkig is doktor Faustus nooit in Leeuwarden teruggekomen. De barbiers, hoteliers en heksen kunnen er thans rustig slapen.
- 877 keer gelezen
