Vakgenoten
Chirurgijn
Van het chirurgijngilde of barbiersambt, welke leden zich, blijkens de brief van 1499, ingedeeld zagen in het tweede gilde, is van voor de afval van Spanje een ongedateerd reglement van omstreeks het midden van de 16 eeuw bewaard gebleven. Daarin wordt medegedeeld, dat de hertog van Gelre en Gulik met de raad van Arnhem een gilde brief aan de barbiers had gegeven.
Uit die brief blijkt verder dat er voor het winnen van het gilde, behalve bedragen in klinkende munt, een hoeveelheid wat geschonken moest worden aan het altaar van de beschermheiligen St. Cosmas en St. Damianus, ieder gildenbroeder voor een vol harnas of roer moest zorgen. Het behoeft geen betoog, dat deze verplichting nog stamt uit de tijd, toen de gilden mede moesten werken aan de verdediging van de stad.
Ook bestond er de verplichting dat iedere nieuwe gildebroeder een leeren brandemmer, een ladder, een haak en een gaffel moesten hebben klaar liggen. Dit stond in verband met de verplichte hulpverlening om bij brand mee te werken.
Dezelfde brief geeft voorts nog bijzonderheden aan over de aard van het door de gildenbroeders te verrichten werkzaamheden, waaronder, behalve scheren, ook helen van wonden e.d. moet worden begrepen. Verder blijkt, dat het gildebestuurd werd door twee Gardianen, van wie er elk jaar op de Teerdag, die op de Zondag na de heiligen Cosmas en Damianus dag gevierd werd, en gekozen werd, later werd dit bestuur uitgebreid. De vergaderingen van het gilde vonden meestal in de grote kerk plaats. De bijeenroeping geschiede door de Gildenknecht.
In het jaar 1620 werd de Gilde brief voor de "broederschap der chirurgie" door de Magistraat van de stad vernieuwd, ook in deze brief word zowel van de werkzaamheden der chirurgijns als de barbiers gesproken, doch de heelkunde voert er wel de boventoon.
In 1798 werden 2 provisionele commissarissen voor het voormalige gilde aangesteld.Bij resolutie van 27 mei 1799 werd door de magistraat uitgemaakt, dat de fondsen van het voormalige gilde niet behoefden te worden overgedragen. Onder de gilden, welke bij publicatie van 7 jan 1805 ingesteld werden, komt het chirurgijns gilde niet voor, het heeft dan ook na dit jaar evenmin als vroeger, enige politieke invloed uitgeoefend.
De datum van opheffing van het gilde is niet bekend; van het bewaard blijven van eigendommen evenmin, slechts berust op het Gem. museum te Arnhem het zegelstempel van het broederschap van St. Cosmas en St. Damianus.
Als de politie geneeskundige bijstand nodig had vervoegde zij zich bij de Barbiers, deze werden o.a. in 1505 geraadpleegd, om verslag uit te brengen of de wond, welke zekere Gerard Lambers bekomen had, de oorzaak van zijn dood geweest zou zijn. Dit gebruik bleef tot in de 18de eeuw bestaan.
Tevens waren de Barbiers verplicht bij de Magistraat aangifte te doen van verwondingen, die te hunner kennis mochten komen; bleven zij in gebreken dan werden zij gestraft zo werd in 1721 een barbier beboet met 25 goudgulden, omdat hij geen aangifte had gedaan van een verwonding, welke de ene burger aan de andere had toegebracht, die bij hem in behandeling was geweest.
Evenals nu, was men in die dagen ook al naijverig op de concurrenten want enige Barbiers beklaagde zich bij de Magistraat dat ook de Militaire Barbiers in het publiek scheerbekkens buiten hun woning hadden hangen tot werkelijk nadeel van de gevestigde Chirurgijns, waarop de raad besloot, de Militaire overheid te verzoeken er voor te zorgen, dat de Militaire Chirurgijns met hun kunst niemand zouden helpen dan Militairen.
In 1674 brachten de Gardianen van het Chirurgijns Gilde een aanklacht uit bij de Magistraat om op de ontheiliging van de Sabbatdag toe te zien en het barbieren op die dagen te verbieden, waarop de Magistraat de Chirurgijns in die geest een vermaning gaf. De barbiersbeweging, om op Zondag niet te scheren is dus niet nieuws, maar had vroeger een meer officieel karakter aangenomen, omdat de Magistraat er zichzelf mee bemoeide.
Ook verleende de Magistraat in 1681 aan de Operateur Francoys Durlagh toestemming zijne medicamenten publiek op een theater te verkopen, "Doch sonder eenighe sotterijen, klughten of door een hansop off courtisan", behoudens een liberale gift aan de diaconie en het docters en Chirurgijnsgilde.
Dat de Chirurgijns zich ook bezig hielden met het onderzoek op het cadaver ziet men in een vergunning, welke een Chirurgijn in 1567 verkreeg, om de dode lichamen der geëxecuteerde voor zijn anatomische studiën te gebruiken.
In 1768 vergunde de Magistraat aan de Medicinae Doctoren en Chirurgijns, de schuttersdoelen in gebruik te nemen, tot het anatomiseren en skeletteren van zeker lijk voor onderlinge oefening. Ook verkregen zij verlof de hof, welke bijde doelen behoorde, in te richten tot het aankweken van vreemde gewassen en medicinale kruiden.
- 1491 keer gelezen
