Vakgenoten
Baardemaker
Van Baardemaker tot Barbier
Vanaf het ontstaan van de middeleeuwse ambachtelijke organisatie tot en met de 18de eeuw was het beroep verwant met de heel- en geneeskunde. De baardemaker was niet enkel scheerder maar ook de man die het instrumentarium vervaardigde. Voor de 14de eeuw komen de benamingen "baardemaker" en "barbier" regelmatig voor. Zowel baardemaker als barbier stonden beiden in dienst van de krijgskunst.
De baardemaker maakte de bijlen, de barbier zorgde voor een goede wapenuitrusting ter bescherming van hoofd en kinnebak. Na splitsing ging de vervaardiger van wapenuitrustingen zijn eigen gang. Deze splitsing ging geleidelijk aan, doch was in de 14 e eeuw een feit.
Het tweede stadium van de baardemaker vertoont een meer uitgesproken karakter van dienstverlening, naar de lichamelijke verzorging van personen toe: haarknippen, baardscheren, kiestrekken en aderlaten. Na 1433 blijft het maken van lancetten nog altijd een van de taken van de baardemaker.
De chirurgijns en de chirurgijnbarbiers vormden twee aparte groepen. De chirurgijn behoorde tot de wetenschapslui, de chirurgijnbarbier was een geoefend ambachtsman: aderlater, kiezentrekker en kapper. Het scheerbekken was als uithangbord van de barbier reeds bekend op het ogenblik dat het ambacht georganiseerd werd. De barbier werd praktisch en theoretisch onderricht in de chirurgie.
Elke kandidaat baardemaker moest twee examens afleggen: een voor baardemaker en één voor chirurgijn. De praktische proef bestond uit het vervaardigen van twee vliemen smeden. De heelkunde bestond uit twee proefen: 3 aderlatingen en twee kiezen trekken. Bovendien werd de kandidaat grondig verhoord over zijn theoretische beroepskennis.
In het jaar 1660 tekent zich een sterke afscheiding tussen de barbiers en de chirurgijn barbiers. De barbier werd voor de keuze gesteld: ofwel zich bezig houden met haarknippen en scheren, ofwel de weg opgaan van chirurgijnbarbier, waarin de praktijk van de chirurgie een belangrijke rol speelde.
- 965 keer gelezen
